Hoe is het in een door COVID-19 geteisterd verpleeghuis

Voordat ‘corona’ alleen nog maar een angstbeeld was, was het vooral de benaming van een lichte krans van ijl plasma om de zon. Een corona laat zich alleen waarnemen als er een complete zonsverduistering is. Het oppervlak van de zon is anders te licht.

Ik herken de metafoor als wij dinsdag het door ziekte geteisterde Flevohuis in Amsterdam betreden.

De deur die altijd open vliegt als we met ons karretje met koffiespullen aan komen rijden, is hermetisch gesloten. We drukken op de bel en ontmoeten twee wantrouwige ogen boven een wit mondkapje. Pas als we aangeven dat we De Zingende Koffiemeisjes zijn, verzacht de blik en worden we hartelijk verwelkomd.

We voelen beiden een zekere spanning als we door de hal van het gebouw lopen. Het is er anders. De sfeer van openheid en Amsterdams bravoure, zoals we die hier zo goed hebben leren kennen, is in geen velden of wegen te bekennen. De vraag hoe het gaat, is vandaag een pijnlijke en beslist onnodig, het gaat NIET. Er zijn al zoveel mensen overleden. Naar een aantal vragen, doen we niet. Lies begroet ons. Haar stem is zacht, haar ogen missen de ons zo bekende lach en haar schouders zijn moe. We zien een Activiteitenbegeleider/Welzijn, die werkt binnen een verpleeghuis waar COVID-19 het scepter zwaait. Ze vecht.

De situatie is lastig, de binnentuin is een ravage door een grootscheepse verbouwing en er zijn weinig plekjes waar we kunnen staan voor een optreden dat door de bewoners gezien en gehoord kan worden. Maar Lies wil het zo graag, voor háár mensen, want die hebben het zó nodig.

We vinden een door bouwhekken omgeven tuintje, dat grenst aan de straat en aan een huiskamer. We stellen onze spullen op in de prachtige voorjaarszon. Het wordt een heerlijk uurtje. De bewoners worden naar buiten in de zon gereden en aan de overzijde, op de eerste verdieping, voor het raam gezet. Wij mogen ze blij zingen en wat voelen we ons dankbaar. Ze zitten op een grotere afstand dan we gewend zijn en het is lastig voor ons om niet naar ze toe te gaan als ze een traan laten of met hun handen zwaaien. Een bewoner voedt een andere een dropje. Onderling is er geen afstand.

Na het optreden, schuifelt een bewoonster, langzaam op ons af achter haar rollator. Ze is blij en wil met ons praten, haar vreugde over dit muziek-uurtje met ons delen. Haar man zat in de muziek en ze mist dat zo enorm. ‘Daarom moest ik even huilen. Niet om jullie hoor!’ Een verzorgende met mondkapje en handschoenen stapt alert en rustig binnen de anderhalve meter die de vrouw van ons scheidt en voorkomt fysiek contact. We blazen elkaar een handkus toe ter afscheid.

Licht bestaat bij de gratie van het donker. De zon is flink verduisterd in het Flevohuis, daar kunnen we niet omheen, maar rond de duisternis vormen mensen zoals Lies en haar lieve collega-verzorgenden op de huiskamers een fel schitterende corona. Dat is geen angstbeeld, maar pure liefde!

Voor altijd in Hotel California

Vandaag zongen we voor Dennis. Dennis is nog maar zestig en hij woont vanwege zijn kapotte brein in een verpleeghuis. Als ik hem een hand geef en zijn naam noem, omdat ik die nog weet van de vorige keer, fluistert hij ‘Dat is lang geleden’. Of hij gewoon aardig wil zijn of zich ons nog echt herinnert weet ik niet zeker. Heel misschien hangen onze roze schortjes in een kastje in zijn brein dat nog wél open kan.

Dennis ziet er breekbaarder uit dan de vorige keer. Van een medewerker Welzijn horen we dat hij prikkels mist, omdat de individuele aandacht die dat vereist nou eenmaal niet voorhanden is. Hij is nog steeds hip, in vergelijking met zijn lotgenoten. Hij draagt een donkere spijkerbroek, grijze All-stars en een blauw t-shirt met een letterprint. Hij houdt van The Eagles. Vorig jaar ging hij nog met een begeleider naar een concert van de Eagles Tributeband, maar als ik hem zo zie zitten, rijst de vraag of dat nog wel zou kunnen. We rijden twee verrijdbare krukjes in zijn gezichtsveld en zingen Hotel California, het nummer dat al jaren de Top 2000 regeert. Bij het intro verscherpt zijn blik. Hij herkent de gitaarsolo. Hij kijkt ons aan, knikt en verdwijnt dan in het lied. Hij staart en beweegt nauwelijks, zijn gezicht ademt concentratie. Zijn handen liggen in elkaar op zijn schoot. Soms kijkt hij ons aan, zo indringend dat zijn ogen rechtstreeks ons hart binnen wandelen.

Als de gitaren aan het eind van de weergaloze finale verstommen, tilt hij zijn handen op uit zijn schoot, gebaart dank je wel en fluistert hoe mooi hij het vond.

Na de terugrit naar ons hoofdkwartier, stap ik in mijn eigen auto en vanaf het USB-stickje in de stereo, hoor ik Hotel California. Het lied over dat hotel in de woestijn, met die rare mensen, waar je nooit meer weg komt als je er eenmaal binnen bent. Als ik de laatste zin meezing, dan zie ik Dennis voor me, kansloos gevangen in zijn eigen brein.

You can check out any time you like….but you can never leave

Hotel California gaat vanaf vandaag over Dennis.