Een suikerautomaatje hadden we nog niet!

Na het optreden bij Saffier Woonzorgpark Loosduinen, word ik gewenkt door een meneer met een vriendelijke lach. Zijn  gezonde zomerse teint steekt mooi af tegen zijn witte overhemd.

‘Weet je wat jullie missen in jullie collectie authentieke koffiespullen?’

‘Nee meneer, geen idee. We dachten inmiddels alles wel te hebben dat iets met koffie zetten te maken heeft. Ik ben heel benieuwd!’

Hij had me in de pauze al aangegeven dat hij de oude koffiemolen van vroeger nog heeft waar zijn gezin in de oorlog ook graan mee maalde om brood te kunnen bakken.

‘Jullie hebben geen suikerautomaatje!’

‘Een suikerautomaatje? Ik heb er nog nooit van gehoord. Wat is dat?’

‘Dat is een automatische suikerpot. Er zit een knopje aan waar je op duwt en dan komt er een schuifje uit met precies de juiste hoeveelheid suiker voor een kopje koffie. Ik heb er nog een, willen jullie die hebben?’

Ik ben enigszins verlegen met het aanbod, maar meneer is onverbiddelijk en rolt in zijn rolstoel naar zijn kamer. Tien minuutjes later is hij terug met het suikerautomaatje, een vernikkeld koperen busje met een dekseltje en een zwart drukknopje.

Meneer Steijn is 93 en heeft het suikerpotje vroeger zelf gebruikt. Het blijkt een Haagse uitvinding te zijn uit begin jaren 30, waarmee militair en koperslager Johannes van den Broek wereldfaam verwierf. De suikerpotten werden over de hele wereld geëxporteerd en prijkten zelfs in verzilverde staat op de koffietafel van een Indiase maharadja.

‘Ik heb geen familie meer en bij mij staat hij maar in de kast.
Ik heb liever dat jullie hem gebruiken dan dat hij bij de kringloop terecht komt’, grijnst hij.

Vandaag hebben we hem in het Katwijkse Overduin laten zien en gebruikt en veel mensen herkenden het automaatje direct. Wat een prachtige aanvulling op onze collectie. Dank u wel, meneer Steijn!

Voor altijd in Hotel California

Vandaag zongen we voor Dennis. Dennis is nog maar zestig en hij woont vanwege zijn kapotte brein in een verpleeghuis. Als ik hem een hand geef en zijn naam noem, omdat ik die nog weet van de vorige keer, fluistert hij ‘Dat is lang geleden’. Of hij gewoon aardig wil zijn of zich ons nog echt herinnert weet ik niet zeker. Heel misschien hangen onze roze schortjes in een kastje in zijn brein dat nog wél open kan.

Dennis ziet er breekbaarder uit dan de vorige keer. Van een medewerker Welzijn horen we dat hij prikkels mist, omdat de individuele aandacht die dat vereist nou eenmaal niet voorhanden is. Hij is nog steeds hip, in vergelijking met zijn lotgenoten. Hij draagt een donkere spijkerbroek, grijze All-stars en een blauw t-shirt met een letterprint. Hij houdt van The Eagles. Vorig jaar ging hij nog met een begeleider naar een concert van de Eagles Tributeband, maar als ik hem zo zie zitten, rijst de vraag of dat nog wel zou kunnen. We rijden twee verrijdbare krukjes in zijn gezichtsveld en zingen Hotel California, het nummer dat al jaren de Top 2000 regeert. Bij het intro verscherpt zijn blik. Hij herkent de gitaarsolo. Hij kijkt ons aan, knikt en verdwijnt dan in het lied. Hij staart en beweegt nauwelijks, zijn gezicht ademt concentratie. Zijn handen liggen in elkaar op zijn schoot. Soms kijkt hij ons aan, zo indringend dat zijn ogen rechtstreeks ons hart binnen wandelen.

Als de gitaren aan het eind van de weergaloze finale verstommen, tilt hij zijn handen op uit zijn schoot, gebaart dank je wel en fluistert hoe mooi hij het vond.

Na de terugrit naar ons hoofdkwartier, stap ik in mijn eigen auto en vanaf het USB-stickje in de stereo, hoor ik Hotel California. Het lied over dat hotel in de woestijn, met die rare mensen, waar je nooit meer weg komt als je er eenmaal binnen bent. Als ik de laatste zin meezing, dan zie ik Dennis voor me, kansloos gevangen in zijn eigen brein.

You can check out any time you like….but you can never leave

Hotel California gaat vanaf vandaag over Dennis.

 

Eenzaamheid krijgt een gezicht

“Vinden jullie het goed als ik wat foto’s en filmpjes maak vanmiddag’, vraagt onze begeleidster ons voor het optreden. ‘Geen zorgen voor jullie privacy hoor, want ze worden alleen op Familienet gezet, dat is een besloten omgeving, alleen voor de familie van de bewoners’.

De nacht na twee bewogen huiskameroptredens in Vinkeveen, echoën deze zinnen rond in mijn brein. De beelden evenzo. Ik zie de kleine, gedrongen Louisa de kamer binnenkomen, aan de arm van een verzorgende. In de deuropening aarzelt ze wat. Ze zoekt met haar ogen naar een veilig plekje en ik wijs haar op een lege stoel aan de andere kant van de kamer. Ik bied haar mijn arm, ze pakt hem, doet een stap en stopt dan weer. Ik heb haar vertrouwen nog niet gewonnen. Met een bescheiden glimlach kiest ze een plekje aan de tafel, dicht bij de deur.

We zingen de eerste liedjes, laten haar ruiken aan de versgemalen koffie en zien haar armen al gauw meebewegen op het ritme. Haar handklap verraadt muzikaliteit en haar glimlach ontspant. Als we My Bonny van The Beatles zingen, staat Louisa op. Ze schuifelt naar het midden van de kamer en ze swingt en twist; kleine, precieze bewegingen met haar heupen, stapjes waar ze horen, geen beat gemist. Ze draait rond ons, ze klapt en ze zingt. Bij Dancing Queen, bewijst ze dat ze die titel meer dan waard is. Ze gaat de hele kamer rond, ze danst dicht langs de rij klappende medebewoners en hun familieleden. Ze raakt ze een voor een aan alsof ze hen herkent en begroet. En iedereen groet terug, iedereen moedigt haar aan en bewondert haar. Als ze weer terug is in het midden, geeft ze ons spontaan een knuffel, terwijl ze danst. We zijn beiden geroerd.

Als de tonen van ons laatste lied nog in de hoek van de kamer hangen, zit ze weer aan de tafel. Ze praat niet en staart naar buiten. Onze begeleidster vertelt ons dat ze zelden met activiteiten mee doet, niet van de woning weg wil en dat ze helemaal niemand heeft, geen familie, geen vrienden, alleen een bewindvoerder. Het filmpje van haar dans met ons zal prijken op het Familienet. Louisa, die op haar heel eigen wijze het onomstotelijke bewijs levert, dat muziek mensen tot leven en tot hun essentie kan brengen….voor de familieleden van de anderen.

Wij gaan zeker een keer naar haar terug en we hopen dat ze dan weer met ons wil dansen, samen, verbonden, alsof eenzaamheid niet bestaat.

NLdoet in Bergschenhoek

Dit weekend organiseerde Het Oranje Fonds, samen met duizenden organisaties in het land, weer NLdoet; de grootste vrijwilligersactie van Nederland. NLdoet zet het vrijwilligerswerk in de schijnwerpers en daagt iedereen uit om een dagje de handen uit de mouwen te steken als vrijwilliger.

Met het beeld van onze koning achter een kruiwagen nog op ons netvlies (hij werkte vrijdag aan een sprookjestuin bij een kinderboederij in Soest), reden wij zaterdag naar Bergschenhoek, waar de roep om vrijwillige actie ook voortvarend werd opgepakt. Zorgcentrum De Oranjehoeck organiseerde een High Tea. Vijf vrijwilligers brachten alle bewoners van de afdelingen naar de grote zaal en dienden een waar feestmaal op. En wij, De Zingende Koffiemeisjes, waren het muzikale sausje. Thee en koffie bijten elkaar niet…het werd een heerlijke middag.

Wat zijn vrijwilligers toch belangrijk en onmisbaar, zeker in de zorgsector. Wij ervaren dat elke keer weer, als we een groot optreden in de zaal geven. Dat kan alleen als er veel hulp van buitenaf is. NLdoet is daar een mooie aanjager voor. Twee dagen in het jaar om eens te proeven aan het fenomeen ‘vrijwilligerswerk’ en om zomaar iets voor een ander te doen. Er is vanzelfsprekend geen geldelijke beloning, maar, zoals de slogan van het Oranje Fonds al zegt:  “Doe iets waar je een ander blij mee maakt. Daar word je zelf ook gelukkig van.” Een beter beloning bestaat niet!

Wij hopen dan ook, mét het Oranje Fonds en alle mensen die afhankelijk zijn van vrijwilligerswerk, dat het niet blijft bij dat ene weekend in het jaar en dat veel NLdoeners de vrijwilliger in zichzelf hebben gevonden en nooit meer loslaten.

 

‘Mag ik me even voorstellen?’

Het is eigenlijk zo’n logische vraag als je zomaar iemands huiskamer binnenstapt. Het is de meest eenvoudige manier van verbinden.

‘Goedemiddag meneer, mag ik mij even aan u voorstellen? Ik ben Ilonka/Monique, het Zingende Koffiemeisje en ik kom voor u zingen en koffie zetten vandaag. Wie bent u?’

Vaak hoeven we dat laatste niet eens te vragen. Onze uitgestoken handen worden bijna altijd door de één gretig en stevig en door de ander schuchter en zacht vastgepakt. En er volgt een naam. Meestal een voornaam,  soms een achternaam, omdat dat er in dit huis al is ingesleten.

‘Dag mevrouw van Kesteren, wat leuk u te ontmoeten!’

De lach die bijna altijd volgt als we de naam herhalen, is één van de mooiste momenten van onze huiskameroptredens. Een mens zien, die zich gekend voelt, is in deze situatie haast magisch. Het herhalen van hun naam brengt vaak verhalen aan de oppervlakte die de persoon die je ontmoet in zekere mate bepaalt.

‘Ik heet Alie. Maar ik word altijd mevrouw Pepermuntje genoemd. Ik deelde namelijk altijd pepermuntjes uit aan iedereen en ooit is er iemand begonnen om mevrouw Pepermuntje tegen me te zeggen. Maar zeg jij maar Alie hoor.’

‘Ik ben Bregje!’

Ze zegt het heel overtuigend.

‘Bregje!’ herhaal ik. ‘Wat een leuke naam!’

Ze lacht ietwat beschaamd.

‘Nou, eigenlijk heet ik Corry. Maar ja, zo heet zíj ook.’

Ze wijst op haar buurvrouw.

‘Bregje is de naam van mijn moeder en dat vind ik zo’n mooie naam, dat ik mezelf nu maar zo laat noemen.’

En zo vertelt Cor dat hij twee broers heeft die ook Cor heten omdat zijn ouders zoveel kinderen hadden dat ze geen namen meer konden verzinnen. Tjitske vertelt dat ze uit Friesland komt en voor haar grote liefde naar het westen is gekomen. Evelien bekent dat ze eigenlijk Eva heet, maar dat ze dat een te korte naam vond en al op jonge leeftijd besloot zich een langere naam aan te meten. En Jan vindt Monique een mooie naam omdat zijn dochter ook zo heet.

Zoveel namen, zoveel verhalen en zoveel échte ontmoetingen.

Een rollercoaster

Zes optredens in zeven dagen is niet zomaar wat. We startten de week met een huiskameroptreden op één locatie en een zaaloptreden op een andere locatie in Amsterdam, toen zongen we op het grote verjaardagsfeest van een kersverse tachtigjarige, daarna was er een optreden op een PG-afdeling van een zorgcentrum in Katwijk, toen een zaaloptreden in het Westland en de dag erna een groot optreden in het restaurant voor alle bewoners van een zorgcentrum aan de kust. We stapten in een rollercoaster die een week lang steil omhoog, gevaarlijk rond en recht omlaag denderde en wat je als performer dan allemaal aan je voorbij ziet komen is op z’n minst uitdagend.

We werden geraakt door de gevolgen van somatische aandoeningen, de chaos van dementie, de schokkende uitzichtloosheid van de ziekte van Huntington; de schrik die ziekte nou eenmaal teweeg brengt won het soms heel even van de mensen daarachter, hun gezichten en hun en onze emoties. Na twee dagen bijkomen, drijven de beelden van lachende monden, glinsterende ogen, ritmisch tikkende en zwaaiende handen weer boven. Op elk niveau kwam de muziek aan, daar waar het paste en nodig was.

“Muziek is voedsel voor mijn ziel”, zei een bewoonster van een zorgcentrum pas nog tegen ons. En wat had ze gelijk!

Komen jullie morgen weer?

Zijn lach reikt van z’n linker tot z’n rechter oor. Hij geeft me zijn lege koffiekopje. Ik vraag of hij het naar z’n zin heeft gehad en hij knikt en zegt dat hij onze voorstelling fantastisch vond en de koffie heerlijk.

‘Komen jullie morgen weer?’

‘Was het maar zo, meneer’, verzucht ik.

‘Nou, dan moeten jullie om tien uur ’s morgens komen en dan laten we jullie pas aan het einde van de avond weer gaan!’

Ik lach en kijk dan eerst naar links, waar Scheveningen aan mijn voeten ligt, en dan naar rechts, waar de Noordzee rustig kabbelt en het strand baadt in een gelig herfstlicht.

‘Meneer, als ú dan een bakkie koffie regelt, dan hebben we een deal!’

Wat een fantastische plek op de achtste verdieping van Het Uiterjoon. Daar wil je toch niet weg!

Ontmoetingen

Na ons optreden bij Overduin in Katwijk, reden we donderdag door naar het strand. De zomer deed z’n best om de herfst nog even te pesten. De lucht was helderblauw, het licht een beetje geel, alsof het al laat in de middag was. We aten een soepje en deelden onze ervaringen van die morgen, hoe fijn de ontmoeting met de bewoners en begeleiders weer was en hoe verbonden we ons voelden met de mensen die er waren.

Als we de strandtent uitlopen staan er vlakbij de deur twee strandrolstoelen met grote rubber banden klaar. We dollen er even mee. Ilonka gaat er in zitten en ik rijd hem een stukje het strand op, in het mulle zand.

‘Nou, jullie dollen er nu mee, maar het zijn vreselijke dingen hoor. Rij maar eens naar beneden en dan weer naar boven. Niet te doen!’ Op het plankier dat halverwege de weg naar de zee ophoudt, zit een vrouw, op een driepoots-meeneemkrukje. Ze vertelt dat ze een paar jaar terug haar man heeft verloren aan de dood en dat ze hem op allerlei plekken langs de kust in zo’n rolstoel naar de zee bracht als hij daar behoefte aan had. ‘Bij Scheveningen hebben ze elektrische rolstoelen. Veel beter!’ Ze vangt ons; onze aandacht en ons medeleven. Er volgt een mooi gesprek waarin ze open en eerlijk vertelt over zijn en haar strijd, over haar nieuwe eenzaamheid, het gemis van het ‘samen’ en haar zoektocht naar een bevredigend bestaan alleen. Tranen vloeien als ze vertelt soms niet te weten wat ze met de nieuwe dag moet. Maar als ze over de humor van haar man vertelt, dan laat ze zien dat ze een vriendelijke lach in

huis heeft. We vragen of we haar een hand mogen geven. Ze knikt en geeft ons die van haar, hij is warm.

En dan vraagt ze naar ons, wat wij doen en waarom we hier zijn. Haar zorgelijke blik verdwijnt, ten gunste van een geïnteresseerde. We vertellen het haar en geven haar een kaartje en dan nemen we afscheid.

De volgende dag plopt er een mailtje in onze mailbox:

Goedenavond koffiemeisjes,
Ik heb jullie gehoord en gezien op Youtube , ook reviews gelezen jullie doen heel dankbaar werk.
Ik voelde dit gisteren al tijdens ons gesprek op het strand bij de strandrolstoel.

Bedankt , jullie voor het luisterende oor.

Alles is relatief, dat leerde Ina ons die middag. Wat een mooie ontmoeting.

De jeugd heeft de toekomst!

In december vond Segbroek HELPT 2017 plaats, een jaarlijks terugkerend evenement van het Segbroekcollege in Den Haag, waarmee de leerlingen met allerlei activiteiten geld inzamelen voor een aantal vooraf bepaalde goede doelen. Met onder andere een Kerstmarkt en een Color Run, werden levensmiddelen ingezameld voor Voedselbank Haaglanden en voor de Speelgoedbeurs Den Haag een flinke berg speelgoed. Stichting Semmy, een stichting die onderzoek mogelijk maakt naar hersenstamkanker bij kinderen kreeg een mooi bedrag en ook Florence Woonzorgcentrum Uitzicht, de directe buren, behoorden tot de gelukkigen. In overleg met het Segbroekcollege koos Uitzicht ervoor om het gesponsorde bedrag te besteden aan vijf huiskameroptredens van De Zingende Koffiemeisjes. Afgelopen week rondden wij deze optredens af; vijf keer een intieme, muzikale ontmoeting met een groep bewoners op hun afdelingen. Vijf keer verbinding in zijn puurste vorm, vijf keer een cadeautje vol aandacht en herkenning.

Helaas kon het Segbroekcollege geen afvaardiging sturen dinsdag (het zullen de examens zijn geweest), maar toch was er wel even een contactmoment tussen jong en oud. Er waren twee leerlingen van Dalton Den Haag, die Uitzicht aandeden voor een kennismaking met de zorgwereld achter de veelal gesloten deuren, vanwege het maatschappelijke schoolproject ‘Zorgweek 2018’. Ze waren dinsdag onder de hoede van welzijnscoach Alexandra en maakten zo twee van onze optredens mee. Ze zagen het effect van de muziek bij mensen met dementie en voelden de verbinding die ontstond door pure aandacht. Ook zij zagen hoe een bewoner die ver weggezonken was in zijn eigen wereld opeens begon te dirigeren en bij het laatste lied zat mee te zingen.

‘Wat klonk het mooi en wat bijzonder hoe de mensen reageerden’, zeiden ze na afloop.

De jeugd heeft de toekomst. Wat mooi toch dat zij zich zo inzetten voor de kwetsbaren in de samenleving en dat ze door dit soort kennismakingsprojecten zien waar en hoe hun inbreng gewenst en noodzakelijk is.

Dank Segbroekcollege. Wat een geweldige actie!

Waardigheid en Trots in de praktijk

Zijn vrouw stelde hem aan ons voor. Zelf oogt Cor wat timide, maar als ik hem vertel dat we liedjes komen zingen, lichten zijn ogen op. Met wat zachte aanmoediging van zijn vrouw, vertelt hij dat hij lange tijd in een koor heeft gezongen, zeemansliederen. Naar onze liedjes luistert hij eerst vooral, maar dan fluit hij mee, als een merel. Later zie ik hem zachtjes meezingen met het refrein van Aan De Amsterdamse Grachten.

Op driekwart van ons programma, staat hij plotseling op en doet een stap in mijn richting. Ik sta naast hem, hij kijkt me even aan en richt zich dan tot ons 15-koppige publiek in de huiskamer:

‘Ik wil graag wat zeggen.’

Zijn stem klinkt luid en duidelijk. Hij denkt even na en ik knik naar hem.

‘Ik heb heel lang in een shantykoor gezongen.’

Weer een pauze. Ik zie hem zoeken naar wat hij wilde zeggen. We wachten geduldig en dan zegt hij:

‘Maar ik kan u zeggen dat dat niet kon tippen aan dit. Ik vind het geweldig. Dat wou ik even zeggen.’

Wij schatten Cor’s compliment op waarde, bovenal omdat wij zien hoe ook zijn medebewoners genieten van de muziek en van de ouderwetse koffie (die vandaag superlekker werd).

De woonvoorziening waar we zijn heeft financiële ruimte voor één ‘grote’ activiteit per maand. Meer geld is er niet. Wij brengen op twee huiskamers een uurtje aandacht, muziek en vertier. Als wij ervaren wat ook hier weer de uitwerking is van ons optreden, dan vinden wij het oprecht erg dat dit maar 1 keer per maand kan.

Gisteren ontvingen wij een berichtje van een activiteitencoördinator van een ander huis:

‘De vrijwilligster die bij jullie optreden was schoot me een aantal dagen erna weer aan.
Ze was overweldigd door de impact van jullie optreden bij de bewoners.’

Complimenten die verder zouden moeten reiken dan onze mailbox en de overheid eens te meer zouden moeten aansporen om muziek en aandacht als een recht te beschouwen, ook voor deze kwetsbare groep mensen. Wij hopen dat Minister De Jonge van Volksgezondheid zijn woorden waarmaakt:

“Bewoners gaan merken dat ze meer liefdevolle tijd en aandacht krijgen”

Aan ons zal het niet liggen.